Soemoed is
het Arabische
woord voor vastberadenheid
of standvastigheid, een begrip dat in de Palestijnse gemeenschap wordt gebruikt om de strijd voor het behoud van het land en de terugkeer naar Palestina uit te drukken.


Twitter

NPK PUBLICATIES - SOEMOED - JAARGANG 32, NUMMER 1

kernkwestie: volledige erkenning van het Recht op Terugkeer - nu!


Tikva Honig-Parnass


Nadat in januari 2001 de laatste ronde van de Oslo-onderhandelingen in Taba waren mislukt, zijn er van Palestijnse zijde steeds meer stemmen opgegaan, die op verschillende manieren afstand hebben genomen van de traditionele erkenning van het Recht op Terugkeer als absoluut recht, zowel in beginsel als in de praktijk - een recht dat een voorwaarde vormt voor elke definitieve regeling, of die in een twee-staten-model als oplossing geloven, of in de vorming van een democratische, seculiere staat.

 

Deze variëren van het maken van onderscheid tussen het beginsel van terugkeer en de verwezenlijking daarvan (aldus de PNA-functionarissen Sa'eb Erekat en Yasser Abed Rabbo), dan wel het benadrukken van de symbolische dimensie ervan (Edward Said), via suggesties om de Palestijnse gebieden uit te breiden met Galilea en delen van de Negev [de weggedrukte Palestijnse benaming luidt al-Naqab; red.] om aldaar delen van de Palestijnse vluchtelingen op te nemen (Mahdi Abdel-Hadi met Jan de Jong, gepubliceerd door PASSIA), tot de jongste verklaring van Sari Nusseibeh dat in het kader van de (door hem gesteunde) twee-staten-oplossing de Palestijnen niet de terugkeer van de vluchtelingen binnen de joodse staat kunnen eisen.


De gemeenschappelijke noemer van deze reeks standpunten die afstand nemen van het traditionele absolute Recht op Terugkeer is de expliciete of impliciete verwijzing naar de Israelische 'angst' dat de terugkeer van de vluchtelingen de huidige demografische verhoudingen in de joodse staat zal verstoren, en de erkenning van de noodzaak om deze 'angsten' te verzachten om aldus voor de Israeli's de weg vrij te maken om met een aanvaardbare politieke oplossing in te stemmen. Arafat zelf heeft voor deze bezorgdheid begrip getoond door in een recent artikel in The New York Times het tegenstrijdige standpunt in te nemen, dat dit door het volkenrecht en VN-resolutie 194 gegarandeerde recht doorgevoerd moet worden op een manier die met die bezorgdheid rekening houdt.


Rekening houden met Israelische bezorgdheid wordt voorgesteld als een meer 'realistische' benadering die in de plaats moet komen van het onverkort Palestijns vasthouden aan de rechtvaardige 'zij het idealistische' eis van terugkeer. Ongetwijfeld heeft de volledige afwijzing van het Recht op Terugkeer door het Israelische 'vredeskamp' (zowel Vrede Nu als Gush Shalom) ertoe bijgedragen dat er vorig jaar stemmen opkwamen die opriepen tot een 'meer realistische benadering van de kwestie van het Recht op Terugkeer'. Deze afwijzing werd uitgesproken in een grote advertentie in het Israelische dagblad Ha'aretz (van 2 januari 2001) aan het begin van de Intifada, ondertekend door Israelische intellectuelen die zichzelf omschrijven als 'centrale activisten in het Israelische vredeskamp'. Zij roepen de Palestijnse leiding op het Recht op Terugkeer openlijk en uitdrukkelijk op te geven, en stellen dat de terugkeer van de vluchtelingen naar de plekken vanwaar zij verdreven zijn, neerkomt op het wegvagen van de staat Israel als gevolg van het verwoesten van zijn demografische verhoudingen (de joodse meerderheid), zonder welke Israel zijn joodse karakter niet kan behouden.


de demografische angst van Israelisch 'links' accepteren


Zo is de impliciete oproep tot 'realisme' van de kant van de Palestijnen in feite een oproep om te zwichten voor het verzet van het Israelische vredeskamp tegen het Recht op Terugkeer, in de hoop dat deze capitulatie winst oplevert; het betekent Palestijnse instemming met een definitieve regeling waarvan bekend is dat ze ook andere volledige Palestijnse nationale rechten zal miskennen, bijvoorbeeld met betrekking tot grenzen, Jeruzalem, nederzettingen, enzovoort. Dit Israelische vredeskamp is het kamp dat Oslo steunde, en dat later, samen met Barak, terugviel op een versie van de in Camp David en Taba gedane voorstellen die zelfs nog sterker een bantoestan-karakter had. Bovendien hebben velen van hen zelfs nog verder afstand genomen van de standpunten van Camp David en hun geloof verloren in de twee-staten-oplossing of in elke vreedzame coëxistentie. Vooraanstaande figuren die bekend staan als vertegenwoordigers van het 'Israelische geweten' zoals de 'nieuwe' historicus Benny Morris en de schrijver Amos Oz, hebben kortgeleden meningen geventileerd die gewagen van de Palestijnse 'haat' tegen joden en de aan te bevelen manieren om hierop te reageren, met de meest klinkklare racistische uitspraken die zo ongeveer grenzen aan biologische, essentialistische standpunten. Hun benadering van het conflict als een eeuwige existentiële bedreiging voor Israel leidt onvermijdelijk tot hun expliciete en impliciete steun aan etnische zuivering ('Transfer').


brede Palestijnse overeenstemming over Recht op Terugkeer


Een overweldigende meerderheid binnen de Palestijnse academische gemeenschap in de Bezette Gebieden, Palestijnse groeperingen en NGO's, nieuwe volksleiders die tijdens de Intifada naar voren gekomen zijn (waarin de vluchtelingen een centrale rol spelen) en vluchtelingen in de kampen in de Bezette Gebieden, in Libanon, Jordanië, Syrië en Irak, hebben zich tijdens 17 maanden Intifada geen van allen geschaard bij die Palestijnen, die afstand nemen van het absolute Recht op Terugkeer. Integendeel, de consensus aangaande dit recht is zelfs sterker geworden, ze is wijdverbreid en krachtig en loopt dwars door standpunten heen, die uiteen lopen waar het om de uiteindelijke oplossing gaat. En Hoessam Khader, lid van de Palestijnse Wetgevende Raad (PLC) en FATAH-volksleider uit het vluchtelingenkamp Balata in Nabloes, had dus gelijk toen hij zei: 'Sari Nusseibeh heeft zich buiten het nationale kamp geplaatst'. Khader gaf hiermee uiting aan het overheersende gevoelen onder de Palestijnen, wier reactie op de uitspraken van Nusseibeh eerder was de gelederen te sluiten rond het Recht op Terugkeer dan er ook maar enig debat over te openen.


'realisme': de huidige krachtsverhouding als permanent aanvaarden


De geest van 'realisme', waar dat rekening houden met Israels demografische zorgen uit voortkomt, heeft natuurlijk te maken met de huidige krachtsverhoudingen, die inderdaad in Israels voordeel zijn, en die door de Verenigde Staten gesteund worden. Echter, als we die huidige krachtsverhoudingen als een definitief gegeven zien, miskennen we de niet aflatende strijd en inspanning om deze aan te vechten, zowel in de Bezette Gebieden van 1967, onder de vluchtelingen in de diaspora, als onder de Palestijnse burgers van Israel.


De door de Palestijnen ingebrachte bezwaren (en niet alleen wegens het Recht op Terugkeer) tegen de in Camp David voorgestelde oplossing, die gebaseerd was op hun zwakkere positie binnen de krachtsverhoudingen, hadden nu juist het afbreken van het onderhandelingsproces en het uitbreken van de Intifada veroorzaakt. De bedoeling was daarmee het gebrek aan evenwicht te corrigeren en zo de overgave te voorkomen die in Oslo en later in Camp David werd aangeboden.


Die mensen die thans voorstellen doen voor zelfs maar een gedeeltelijk loslaten van het Recht op Terugkeer of die met nieuwe interpretaties ervan komen, spelen onbedoeld de rol van 'de Palestijnse kant' in een situatie die op onderhandelen neerkomt, en dat in een fase waarin het model-Oslo is ingestort en er geen enkel perspectief daagt op onderhandelingen die zelfs maar kunnen beginnen op het punt waar ze geëindigd zijn.


miskenning van de Intifada en zijn leiders


Alleen de officiële, wettige vertegenwoordigers van een volk waarvan de bevrijdingsstrijd een fase van politieke onderhandelingen bereikt heeft, mogen de oppositie negeren van marginale krachten die nog steeds doorvechten. En dat is hier zeker niet het geval. Niemand kan meer volhouden dat de huidige Intifada, in tegenstelling tot de eerste, slechts een 'militaristische strijd' is die wordt gevoerd door marginale extremisten en/of fanatieke religieuze krachten die rebelleren tegen de wettige leiding en die in de Palestijnse samenleving geen echte wortels hebben, zoals Israelische commentatoren de zaak getracht hebben voor te stellen, evenals sommige Palestijnse intellectuelen trouwens. Van overal uit het politieke spectrum zijn nieuwe leiders naar voren gekomen, die de gelanceerde guerilla vergezeld laten gaan van een politieke visie, zowel betreffende de strategie die het politieke proces vereist als betreffende de noodzaak van interne democratie. Zelfs enkele vooraanstaande Israelische commentatoren waren het er onlangs met elkaar over eens dat er een brede consensus bestaat ten aanzien van de Intifada, en dat deze een leiding begint te krijgen.


De mensen die bereid zijn afstand te nemen van het traditionele nationale standpunt betreffende het Recht op Terugkeer miskennen daarmee de werkelijke leiders van de Intifada, de rol die zij spelen bij het vaststellen van de nationale bevrijdingscampagne en hun strikte vasthouden aan het Recht op Terugkeer. Het feit dat zij thans met hun benadering komen kan dus gemakkelijk zo worden uitgelegd dat zij tevens de wettigheid van de Intifada in twijfel trekken, althans niet de strategie ervan ondersteunen zoals zijn leiders die onder woorden brengen.


miskenning van de stem van de vluchtelingenkampen


De stem van de vluchtelingen zelf in aanmerking nemen, dat is ook iets dat niet voorkomt in het betoog van de voorstanders van het loslaten van het absolute Recht-op-Terugkeer-standpunt. Opnieuw houdt deze opstelling misschien zelfs onbedoeld in dat men de geslaagde pogingen van Israel accepteert om de vluchtelingen uit te sluiten van de onderhandelingen van Oslo. De Britse parlementaire Commissie van Onderzoek naar de Palestijnse Vluchtelingen verwerpt dit standpunt in haar rapport van maart 2001. Deze commissie heeft een brede reeks getuigenissen afgenomen van de vluchtelingen in de kampen die zij bezocht heeft in Syrië, Irak, Libanon en Palestina.


Deze brengen haar tot ondubbelzinnige conclusies die neerkomen op 'strikt vasthouden aan verwezenlijking van hun Recht op Terugkeer 'als onvoorwaardelijk essentieel voor vrede en verzoening' en die stellen dat 'het een ernstige vergissing tegenover de geschiedenis zou zijn, met mogelijk ernstige gevolgen voor de leiders aan beide zijden om te denken dat zij een akkoord kunnen sluiten dat de onderliggende eisen van de brede gemeenschap van Palestijnse vluchtelingen negeert'. In het licht van het respect dat de Britse commissie toont voor de stem van de vluchtelingen, en van haar krachtige standpunt ten gunste van het Recht op Terugkeer, is de veronachtzaming van de ondubbelzinnige opstelling van de vluchtelingen in de kampen nog pijnlijker. En bovendien, dat men de vluchtelingen negeert, en aldus impliciet de verdeling van het Palestijnse volk accepteert, gebeurt op een moment dat de vluchtelingen zelf pogingen aan het doen zijn om actie te voeren voor hun rechten, daarbij deels geholpen door het netwerk van al-Awda (dat grotendeels drijft op Palestijnen van de tweede of derde generatie in de diaspora, die erin geslaagd zijn veel van hun landgenoten achter zich te krijgen), en dat NGO's als BADIL Resource Center for Palestinian Residency and Refugee Rights zich krachtig bemoeien met activiteiten die erop gericht zijn de ontwakende Palestijnse vluchtelingenkampen te voorzien van de benodigde juridische en bestuurlijke middelen.


miskenning van de democratische strijd van de Palestijnen van 1948


De huidige campagne van de Palestijnen van 1948 tegen de joodse staat is ook weer een slag gericht op een wijziging van de krachtsverhouding; een slag waar de mensen die zich als zelf-benoemde onderhandelaars opgeworpen hebben geen aandacht aan besteed hebben. De bestaande krachtsverhouding leidde ertoe dat in Oslo de eenheid van het Palestijnse volk werd verworpen: zelfs tot en met de totale uitsluiting van de Palestijnen van 1948 en van de vluchtelingen, én als partners én als referentiekader voor de onderhandelingen. Maar deze krachtsverhouding is aangevochten door de Palestijnse burgers van Israel. Meer dan 50 jaar na de Nakba ['Catastrofe' van 1948; red.] groeit een sterker nationaal bewustzijn en identificatie met de opstand in de Bezette Gebieden van 1967. En, zoals blijkt uit de gemeenschappelijke standpunten die de NGO's van 1967 en 1948 innamen op de VN-Conferentie tegen Racisme in Durban in Zuid-Afrika in augustus 2001, het besef groeit dat men gezamenlijk onderdrukt wordt door dezelfde zionistische onteigeningspolitiek en dat het noodzakelijk is daartegen één lijn te trekken.


Bovendien, de Palestijnen van 1948 vechten in hun politieke campagne en strategie, die wordt geïnspireerd door de Nationale Democratische Alliantie (Tajamu), voortdurend het karakter van de joodse staat aan dat de kern vormt van het zionistische koloniale project. Zo komen de Palestijnse burgers van Israel als de meest radicale kracht naar voren bij het lanceren van de democratische strijd in het hele historische Palestina. Als we Israels pretentie om een 'joodse staat' te zijn aanvaarden getuigt dat dus op zijn zachtst gezegd van een gebrek aan respect voor de democratische strijd die nu juist gevoerd wordt ter wille van het gehele Palestijnse volk.


erkenning van een apartheidsstaat


Rekening houden met Israels bezorgdheid dat zijn joodse meerderheid gevaar loopt betekent uitgaan van de onjuiste vooronderstelling dat een racistisch apartheidsregime gerechtvaardigd kan worden met een beroep op het recht op zelfbeschikking voor joden overal ter wereld en op de noodzaak om hun 'nationale identiteit' in stand te houden. In werkelijkheid is het echter zo dat de 'joodse staat' ingebouwde bevoorrechting voor joden en achterstelling en discriminatie voor Palestijnse burgers impliceert. Bovendien, als we de 'demografische kwestie' aanvaarden als legitiem argument om een voorbehoud te maken bij volledige handhaving van het Recht op Terugkeer, dan steunen we ongewild de onvermijdelijke en gevaarlijke implicaties van de opvatting dat het beginsel van een joodse meerderheid de noodzakelijke voorwaarde vormt om de 'vernietiging van Israel' te vermijden. Dan steunen we niet alleen de rechtvaardiging van steeds sterkere apartheidsmaatregelen (1), maar onvermijdelijk zelfs de conclusie dat op een of andere manier 'verplaatsing van de bevolking' nodig is, zoals die onlangs is verwoord door Benny Morris en Amos Oz.(2)


De 'demografische zorgen' van Israel aanvaarden betekent dus een bevestiging van de doorlopende en historische verandering in de krachtsverhoudingen in Israels voordeel, zoals die zich al voltrekt sinds de VN-delingsresolutie in 1947, die op zichzelf al een produkt was van een pro-zionistische opstelling. Volgens het VN-delingsplan (VN Bijzondere Commissie voor Palestina UNSCOP, 31 augustus 1947) was de bedoeling dat zich in de joodse staat een bijna gelijk aantal joden en Arabieren [Palestijnen; red.] zou bevinden. De zionistische territoriale belangen die door de Commissie ondersteund werden hadden de overhand gekregen over hun aspiraties voor een staat die 'vrij' van Arabieren [Palestijnen] was, en dat moest onvermijdelijk uitlopen op een joodse minderheid. Dit was bijvoorbeeld de reden waarom een grote Arabische [Palestijnse] stad als Jaffa in de joodse staat opgenomen werd. Sindsdien echter, gegeven de historische veranderingen in de krachtsverhouding in de loop van 50 jaar, meent Israel dat het niet langer hoeft te kiezen tussen het beginsel van aanspraak maken op het hele gebied en 'etnische zuiverheid'. De verdrijving van 1948 en de Israelische weigering om de vluchtelingen na de oorlog of in de latere jaren terug te laten keren weerspiegelt de verdere verandering in de krachtsverhouding in Israels voordeel, in weerwil van de herhaalde bevestiging van het Recht op terugkeer door de VN. Als we de Israelische bezorgdheid erkennen betekent dat dus dat we ons aansluiten bij Israels traditionele veronachtzaming van internationale rechtmatigheid, en dat houdt tevens een verzwakking in van Palestijnse aanspraken op andere nationale rechten die op dezelfde beginselen van internationale rechtmatigheid gebaseerd zijn.

De nationale strijd van het Palestijnse volk voor bevrijding zal niet in de nabije toekomst ten einde zijn, evenmin als andere strijd om democratie in de regio en in Israel, zeker niet onder de overheersende macht van de Verenigde Staten en van Israel als hun vazal. Het Recht op Terugkeer en de andere eisen van de Palestijnse nationale beweging, moeten gezien worden als de centrale leus die het volk mobiliseert en die de grondslag vormt waarop de agenda wordt opgesteld voor de dagelijkse acties die op de korte-termijn-behoeften gericht zijn. Wie nu een voorbehoud maakt bij het Recht op Terugkeer keert zich tegen de continue strijd op de diverse fronten onder de Palestijnen van 1967, van 1948 en in de diaspora (en onder het handjevol joodse antizionistische democraten) die elk een rol spelen in de pogingen om verandering te brengen in de huidige krachtsverhouding waar het opkomende apartheidsregime in heel Palestina uit voortgekomen is.


noten


1 Zie bijvoorbeeld het onlangs gepubliceerde Algemeen Plan voor Nazareth. Het bericht in Ha'aretz over dit Algemeen Plan voor Nazareth (27 februari 2002) had als kop: 'Algemeen Plan suggereert dat inwoners van Nazareth moeten migreren'. Zie ook 'Onteigeningspolitiek van Bedoeïenen in de Negev', rapport van BADIL Resource Center - 27 februari 2002 en de driedelige uitgebreide studie over de Bedoeïenen in Ha'aretz 24, 25 & 28 februari 2002.

2 'Transfer' van de bevolking is in Israel de laatste tijd in discussies een geaccepteerd onderwerp geworden - ook onder een deel van de academische gemeenschap - en heeft zelfs het ongekende niveau bereikt, dat een serie wetten is voorgesteld die het staatsburgerschap ontnemen aan Palestijnen die niet loyaal aan de staat geacht worden te zijn, of die Palestijnse burgers stimuleren om te migreren, om nog maar te zwijgen over het recente politieke proces tegen Knesset-lid Azmi Bishara. Zie ook interview met Benny Morris gepubliceerd in het Hebreeuws in Yediot Ahronot van 23 november 2001 en zijn artikel in The Guardian van 21 februari 2002.


uit: Between the Lines (West-Jeruzalem) maart 2002; pp. 19-23


Tikva Honig-Parnass is hoofdredactrice van Between the Lines.


vertaling: Paul Kuiper

Meer over Soemoed
index Soemoed - jaargang 32, nummer 1