Soemoed is
het Arabische
woord voor vastberadenheid
of standvastigheid, een begrip dat in de Palestijnse gemeenschap wordt gebruikt om de strijd voor het behoud van het land en de terugkeer naar Palestina uit te drukken.


Twitter

NPK PUBLICATIES - SOEMOED - JAARGANG 32, NUMMER 1

koloniale mentaliteit

de Israelische tekst en context van het Akkoord van Genève


Shiko Behar & Michael Warschawski


Het Akkoord van Genève dateert van medio oktober 2003 en is dus meteen ook het recentste niet-officiële plan voor vrede tussen Israeli's en Palestijnen. Ook al werd het niet aangegrepen als opstap naar officiële onderhandelingen, toch heeft het al één ding teweeggebracht: Het heeft zowel aan Israelische als aan Palestijnse zijde hoopvolle verwachtingen als afkeurende commentaren uitgelokt.

 

De Israelische regering heeft het plan al afgewezen, terwijl het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) het nog steeds niet officieel heeft goedgekeurd. In wezen gaat het om een herverpakte versie van het plan waar president Bill Clinton eind 2000 mee op de proppen kwam. Het Geneefse initiatief steunt op een reeks principes die de weg moeten effenen voor een duurzaam vredesakkoord.


Al wie begaan is met een blijvende en billijke vrede tussen Israeli's en Palestijnen heeft er dan ook alle belang bij het Akkoord aandachtig tegen het licht te houden. Bij de onderhandelingen was een indrukwekkend aantal bekende figuren betrokken. De besprekingen werden geleid door Yossi Beilin, een voormalige minister van de Israelische Arbeidspartij, en Yasser Abed Rabbo, tot voor kort de Palestijnse minister van Informatie en een hoofdrolspeler bij vorige onderhandelingen. Tot op heden is het Akkoord van Genève het meest verregaande dat ooit door vooraanstaande Palestijnse en Israelische politici werd bereikt. Toch vertoont dit moedige document ook zijn zwakke punten, net als de initiatieven uit de Clinton-jaren. En ook nu weer wordt een en ander op een (zelf)misleidende manier voorgesteld door de Israelische onderhandelaars.


een dringende noodzaak


Krachtens het Akkoord van Genève worden de joodse nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever, waar thans zo'n 300.000 kolonisten wonen, gelegaliseerd, inclusief alle nederzettingen die na 1967 werden gebouwd in het oostelijke, Arabische [Palestijnse] deel van Jeruzalem. In ruil krijgen de Palestijnen evenveel land van Israel. Ze krijgen ook zelfbestuur in het gebied dat hen bij die landruil wordt toegewezen, alsook in de rest van de Westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza, inclusief in de Arabische [Palestijnse] wijken van Oost-Jeruzalem. Dit soevereine Palestijnse gebied blijft een gedemilitariseerde zone. Een permanente internationale troepenmacht waakt over de veiligheid op de Tempelberg / Haram al-Sharif, die zowel voor joden als voor moslims een heilige plaats is. Alle niet-veiligheidsaspecten vallen onder de Palestijnse bevoegdheid. De joden krijgen onbeperkt toegang tot deze heilige plek. De Palestijnen die in 1948 van hun woonplaats werden verdreven, zullen daar op een of andere manier voor vergoed worden, al is het enkel Israel dat beslist hoeveel van de in totaal meer dan 4,1 miljoen bij de Verenigde Naties (VN) geregistreerde vluchtelingen mogen terugkeren naar hun oorspronkelijke woonplaats, in het huidige Israel.

Wij zien hier dus een grote concessie van de kant van de Palestijnen wat betreft het recht van de vluchtelingen op terugkeer, hoewel men dit recht nu ook weer niet helemààl opgeeft. In die zin is Palestijns verzet tegen het Akkoord dan ook volkomen gewettigd, niet enkel vanuit politiek en moreel oogpunt, maar ook qua humanitair en internationaal recht. De Palestijnse onderhandelaars rechtvaardigen deze concessie door te wijzen op de dringende noodzaak om tot een vergelijk te komen met de Israeli's, en wel om twee redenen.


Ten eerste dringt de tijd. Als er niet snel een akkoord wordt bereikt, blijft er in de nabije toekomst misschien niets meer over om over te onderhandelen, aangezien er steeds nieuwe joodse nederzettingen bijkomen op de Westelijke Jordaanoever en Israel nu ook nog een 'Apartheidsmuur' bouwt in dat gebied. Ten tweede raakt zowel de Palestijnse als de Israelische publieke opinie er steeds meer van overtuigd dat er geen geloofwaardige gesprekspartner te vinden is aan de 'andere kant'. Volgens de Palestijnse onderhandelaars zal men de Palestijnen en de Israeli's er weldra niet meer van kunnen overtuigen dat men nog uit de impasse kan geraken via een onderhandeld akkoord. De Israelische onderhandelaars delen die zienswijze. Vandaar dat ze wijzen op het belang van het Geneefse initiatief als kans om de spiraal van (Israelische) wanhoop om te buigen of in ieder geval toch een halt toe te roepen.


de lessen van Oslo


Hoewel de slaagkansen van het Akkoord van Genève nog allerminst duidelijk zijn, vertolkte een andere Palestijnse minister, Ghassan al-Khatib, de mening van menige waarnemer toen hij zei dat het Akkoord in ieder geval 'nuttig rumoer' verwekt in Israel. Nu er onder de regering-Sharon al drie jaar lang geen officiële onderhandelingen meer zijn gevoerd, en nu ook Moshe Ya'alon, de chef-staf van het Israelische leger, en drie oud-directeurs van de binnenlandse veiligheidsdienst Shin Bet onverbloemd kritiek uiten op het harde optreden van Sharon in de Bezette Gebieden, kan het Akkoord van Genève voorkomen dat de joodse inwoners van Israel steeds verder naar rechts opschuiven.


Toch mag men niet vergeten hoe het uiteindelijk is afgelopen met de Oslo-Akkoorden, uit 1993. Ook die hielden een belofte op vrede in, maar in de tweede helft van de jaren negentig viel het hele [zogenaamde] vredesproces in duigen. Velen dachten dat de Oslo-Akkoorden voor een rechtvaardige vrede zouden zorgen, maar hun analyse beperkte zich tot wat er op papier stond, waarbij ze ervan uitgingen dat het Akkoord tegemoet kwam aan de minimale verzuchtingen van het Palestijnse volk. Hoewel de Oslo-Akkoorden niet eens aan die minimale verzuchtingen tegemoet kwamen, hadden ze niettemin kunnen dienen als opstap naar een vrede die de basisnoden van de Palestijnen (in de Strook van Gaza en op de Westelijke Jordaanoever) en de Israeli's lenigde. Dit op voorwaarde dat Israeli's en Palestijnen de tekst van de akkoorden op dezelfde manier zouden interpreteren en dat de verdere onderhandelingen in een sfeer van wederzijds vertrouwen zouden verlopen. Spijtig genoeg is dit lang niet het geval gebleken.


Daar waar de Palestijnse onderhandelaars écht aanstuurden op wat zij zagen als een 'historisch compromis', gebaseerd op resolutie 242 van de VN-Veiligheidsraad en waarbij de Palestijnen maar liefst 78 procent van hun oorspronkelijke territoriale aanspraken opgaven, gebruikten de Israelische politici de Oslo-Akkoorden enkel om hun greep op de Palestijnse bevolking en gebieden te verstevigen, onder meer via de nederzettingenpolitiek. Het hele 'vredesproces' lang ging de bouw van nieuwe nederzettingen en de uitbreiding van bestaande nederzettingen voort en is het aantal joodse kolonisten meer dan verdubbeld. Daar kun je maar één conclusie uit trekken: De premiers Yitzhak Rabin en Shimon Peres hebben van meet af aan misbruik gemaakt van het machtsongelijkheid tussen de Israelische bezetter en de Palestijnen in bezet gebied, om het Palestijns Nationaal Gezag (PNA) een vredesopvatting op te leggen die berustte op volgehouden dominantie.


Veel analisten van het Geneefse initiatief vergeten dat Israel in de jaren negentig hoofdzakelijk bestuurd werd door links-zionistische regeringen, veeleer dan door de Likoed en de ultranationalisten. Tussen de verkiezingsoverwinning van Rabin in juni 1992 en die van Sharon in februari 2001, waarbij ex-premier Ehoed Barak een zware nederlaag leed, lagen bijna zes volle jaren tijdens welke Israel geregeerd werd door de Arbeidspartij en de progressieve [lees: links-zionistische] Meretz. In tegenstelling tot wat men doorgaans denkt, is het dus zionistisch Links, veeleer dan zionistisch Rechts, dat de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het mislukken van het 'vredesproces' in de jaren negentig. Aangezien het Akkoord van Genève voortspruit uit dezelfde Israelische kringen die de Oslo-Akkoorden hebben voortgebracht, hadden Beilin & Co de politieke levenskansen van het nieuwe proces kunnen vergroten door alvast hun falen in de jaren negentig openlijk toe te geven. Door dat niet te doen, hebben ze meteen al de kans gemist om het Israelische publiek een alternatieve verklaring te geven voor de Intifada. Nu denkt de grote meerderheid van de Israeli's nog altijd dat de Palestijnen 'voor het geweld kiezen'.


In plaats van te proberen de Israeli's ervan te overtuigen dat er een nieuw tijdperk van vreedzaam samenleven op gelijke voet kon aanbreken, baseerden de leiders van de coalitie van de Arbeidspartij en Meretz in 1993 hun marketingstrategie louter op veiligheid, afscheiding van de Palestijnen en een voortzetten van de nederzettingenpolitiek. Elke verantwoordelijkheid van de Israeli's – of de zionisten, vóór het ontstaan van Israel – in het nu al meer dan honderd jaar aanslepende conflict wezen ze van de hand. In plaats daarvan legden ze bewust een verband tussen dat conflict en het Palestijnse 'terrorisme'.


Wanneer je aandachtig luistert naar de Israelische kopstukken die betrokken waren bij de onderhandelingen in Genève - vooral dan wanneer ze zich uitdrukken in het Hebreeuws - dan wordt het al snel duidelijk dat ze nog niets hebben geleerd van de mislukking van de Oslo-Akkoorden, waarvan ze indertijd zelf de architecten waren. Ook nu weer bedienen ze zich van dezelfde marketingstrategieën ten opzichte van de Israelische publieke opinie.


'realisme' en 'generositeit'


Los van de politieke en journalistieke context waarin het nieuwe Akkoord wordt verkocht aan het Israelische publiek, heeft de tekst ervan niet bijster veel betekenis. Eigenlijk moet je vooral kijken naar de mondelinge en schriftelijke uitleg die aan het Geneefse initiatief wordt gegeven. Die omstandige uitleg is op zich al een aanwijzing dat het wellicht spoedig zal uitdraaien op een politiek fiasco.

Veel wordt al duidelijk als je het artikel leest dat onlangs verscheen in The Guardian, van de hand van een van de Israelische hoofdonderhandelaars in Genève, met name de internationaal geroemde schrijver en commentator Amos Oz. Het droeg als titel 'We Have Done the Groundwork for Peace' en was gebaseerd op een Hebreeuws artikel dat hij eerder al had gepubliceerd in Israel. Oz stelt dat de onderhandelingen in Genève verschillen van eerdere besprekingen tussen Israeli's en Palestijnen. Zo is er nu niet langer sprake van 'het recht van de vluchtelingen op terugkeer', maar van 'een oplossing voor het vluchtelingenprobleem'. Er is ook geen sprake meer van een 'terugkeer naar de grenzen van 1967', maar van een 'logische kaart die ook rekening houdt met het heden en niet louter met het verleden'. Argeloze lezers zullen misschien denken dat de linkse zionisten logisch denkende mensen zijn en dat de Israeli's, in tegenstelling tot de Palestijnen, bij hun nationale aanspraken nooit verwezen naar de geschiedenis. De grondgedachte bij Oz is deze: Bij de onderhandelingen in Genève gaven de Palestijnen eindelijk blijk van 'realisme'. Ze zien niet alleen af van het recht op terugkeer, maar ook van de eis tot volledige terugtrekking achter de grenzen van 1967. Hoewel hij een van de boegbeelden van de Israelische vredesbeweging Peace Now is, wijst Oz er nog maar eens op dat het te wijten is aan de Palestijnse koppigheid dat de Oslo-Akkoorden en de topbijeenkomst in Camp David in juli 2000 met een sisser zijn afgelopen. Volgens Oz is het Israelische vredeskamp er eindelijk in geslaagd de 'irrationele' Palestijnen zo ver te krijgen dat ze de standpunten van de Israelische linkerzijde willen overnemen. Die standpunten behelzen volgens een van zijn collega's een groot offer, aangezien hij naar eigen zeggen bereid is 'afstand te doen van een deel van mijn religieus geloof, in die zin dat ik bereid ben, met pijn in het hart, de Palestijnse soevereiniteit over de Tempelberg te aanvaarden.' Al evenzeer gedrenkt in propagandistische symboliek is zijn verklaring dat 'wij de soevereiniteit afstaan in bepaalde delen van het Land Israel [Eretz Israel] waar onze harten liggen'. Waar hebben Oz en de 'School van Genève', waarvan hij zo'n treffende vertegenwoordiger is, het dan zo moeilijk mee ten opzichte van de Israelische publieke opinie?


Door zijn gebrek aan zelfkritiek sterkt Oz de Israeli's in hun overtuiging van het eigen gelijk en berooft hij de Palestijnen meteen ook van hun slachtofferrol, door zichzelf en Israel af te schilderen als de échte slachtoffers. Blijkbaar wil hij maar niet inzien dat de Palestijnse zijde enorme concessies heeft gedaan. Zijn stukje proza stoelt op dezelfde gedachten als het 'genereuze' aanbod dat Barak de Palestijnse leider Yasser Arafat deed in Camp David, in juli 2000.

Om het Israelische volk over de streep te trekken - zo denken de Israelische onderhandelaars - moeten wij het laten zien dat wij 'gewonnen' hebben en dat de Palestijnen zich gewonnen hebben gegeven. De grootste tekortkoming van het Akkoord van Genève is dat Oz & Co het basisidee van onvervreemdbare menselijke en politieke rechten van het Palestijnse volk volledig over het hoofd zien. Dezelfde fout werd gemaakt in Oslo. Net als Barak vervangt Oz het begrip 'rechten' door het begrip 'generositeit' – 'Mochten wij hen in 1967 hebben gegeven wat wij hen nu geven'. Als je ziet hoe sterk de machtsbalans overhelt naar de kant van de illegale bezetter, hoeft het niet te verbazen dat de Israeli's de zaken als volgt zien: De Palestijnen zien af van geweld (voor Oz & Co is 'terugkeer' een codewoord voor de vernietiging van Israel), en dus hebben wij, het Israelische vredeskamp, beslist erg genereus te zijn.


averechts effect


Los van haar morele tekortkomingen werkt de 'marketing' van de Israelische onderhandelaars politiek gezien averechts als het erop aankomt de Israelische publieke opinie over de streep te halen. Indien er geen rekening wordt gehouden met politieke en menselijke rechten en indien men denkt dat het conflict het gevolg is van het denkbeeldige Palestijnse voornemen om de joden uit te roeien, welke Israeli zal dan nog willen geloven dat de Palestijnen ooit zullen veranderen? Bovendien, indien de Palestijnen louter veranderd zijn doordat het Israelische vredeskamp zich hard heeft opgesteld, waarom zich niet nóg harder opstellen en ze dwingen zich neer te leggen bij de Israelische dominantie, zonder dat Israel nog enige concessie hoeft te doen?


Zelfs politieke alchemisten als die van de 'School van Genève' kunnen geen vertrouwen wekken als ze uitgaan van een leugen: Om de Israelische publieke opinie te paaien, drukken ze erop dat de Palestijnen dit keer afzien van het recht op terugkeer. Uit artikel 7 van het Akkoord blijkt duidelijk dat de Palestijnse onderhandelaars inderdaad verregaande concessies willen doen wat betreft de rechten van de Palestijnse vluchtelingen. Toch hebben ze het 'recht op terugkeer', zoals voorzien in VN-resolutie 194 (aangenomen in 1948), niet opgegeven, want dan zouden ze meteen elke geloofwaardigheid hebben verloren in de ogen van het eigen volk.

Wie een duurzame en zo billijk mogelijke vrede tot stand wil zien komen tussen Israeli's en Palestijnen dient zich dan ook af te vragen waarom de Israelische onderhandelaars hun eigen publiek proberen te overtuigen door net het tegenovergestelde te beweren van wat de Palestijnse onderhandelaars zeggen tegen hun volksgenoten? De afloop van het nieuwe vredesinitiatief laat zich dan ook al raden: Doordat de Israelische en Palestijnse onderhandelaars het Akkoord elk op hun eigen manier interpreteren, zullen de Israeli's de Palestijnen uiteindelijk weer gaan bestempelen als leugenaars, en die mening zal wellicht nog gedeeld worden door de kopstukken van de 'School van Genève' ook.


Sommige van de meer cynische Israelische deelnemers aan de besprekingen in Genève weten maar al te goed dat er een brede kloof gaapt tussen de Palestijnse lezing van het Akkoord en wat zijzelf vertellen aan het Israelische publiek. Ze denken dat een verkeerde voorstelling van de Palestijnse positie hen kan helpen de Israeli's zo ver te krijgen dat ze de Arbeidspartij weer aan de macht brengen, zodat die de kans krijgt het 'Akkoord' erdoor te drukken.


Toch zal de Arbeidspartij er niet in slagen de teugels van het land weer in handen te krijgen, omdat haar politieke standpunten niet meer dan een flauw doorslagje zijn van die van de rechtse partijen. Nu haar laatste kandidaat voor het premierschap, Amram Mitzna, is afgetreden als voorzitter en mensen van de linkervleugel van de partij, zoals Beilin en Yael Dayan, hun pogingen staken om een nieuwe sociaal-democratische partij in de steigers te zetten, blijkt duidelijk hoe moeilijk het is om de Arbeidspartij grondig te hervormen. Op sociaal-economisch gebied houdt de partij er gelijkaardige neoliberale opvattingen op na als Benyamin Netanyahoe, van Likoed. Wat het Israelisch-Palestijnse conflict betreft, zijn sommige parlementsleden van de Arbeidspartij, zoals de ex-generaals Benyamin Ben Eliezer, Efraim Sneh en Dany Yatom, zo mogelijk nog erger dan sommige Likoed-vertegenwoordigers in de Knesset. De doorsnee Israelische kiezer stelt zich dan ook nog altijd de vraag: Waarom stemmen voor een kopie (die van de Arbeidspartij) als je kunt stemmen voor het origineel (dat van Likoed)?


wat moet er gebeuren?


Indien de Israelische politici écht begaan zijn met een duurzame en levensvatbare vrede, dan zullen ze toch ooit eens moeten uitpakken met een vredesakkoord dat de goedkeuring kan wegdragen van de modale Palestijn. Het Israelische volk zal de diepere sociaal-politieke oorzaken van het Arabisch-Israelische conflict dan ook op een nuchterder manier moeten leren bekijken. Wie echt vrede wil, moet zich niet zozeer blindstaren op deze of gene clausule van het Akkoord van Genève, maar luisteren naar diegenen die op een onverbloemde manier zeggen hoe de zaken echt staan.


Vooreerst moeten de kritische Israeli's het eigen publiek duidelijk maken dat de oorzaak van het conflict niet in het Palestijnse terrorisme of fanatisme moet worden gezocht, maar veeleer in de Israelische bezettings- en onteigeningspolitiek. Het zijn de Israeli's zélf die de Israelische verantwoordelijkheid in deze kwestie onder ogen moeten zien. Elk billijk vredesakkoord dient rekening te houden met de menselijke en politieke basisrechten van de Palestijnen, die nu brutaal worden miskend door het Israelische beleid van bezetting en kolonisatie. Men dient het Israelische publiek duidelijk te maken dat het enige 'genereuze aanbod' de bereidheid van de Palestijnen is om 78 procent van hun territoriale aanspraken op hun historische thuisland te laten varen.


Het recht op terugkeer is een menselijk basisrecht. Indien sommige Palestijnen bereid zijn dit tot voorwerp van onderhandelingen te maken, omdat ze rekening willen houden met de angst van de Israeli's voor de demografische consequenties van die terugkeer, dan mag dat gerust als een tweede 'genereus aanbod' worden gezien. Kritische Israeli's, inclusief de 'School van Genève', moeten hun volksgenoten maar eens de vraag durven voor te leggen hoe ze kunnen eisen van de Palestijnen dat ze afzien van hun recht op terugkeer terwijl Israel dat recht nog niet eens heeft erkend?


Verder moeten de kritische Israeli's, en uiteindelijk ook de Israelische politieke klasse, consequent vasthouden aan een positieve benadering van het begrip vrede, gebaseerd op samenleving en de gelijkwaardigheid van alle mensen. Een interpretatie van het begrip vrede die met klem moet worden afgewezen, niet louter wegens het morele failliet ervan, maar ook omdat het totaal niet werkt, is die van Oz en de andere Israelische onderhandelaars van Genève. Die zien 'vrede' als een manier om de Palestijnen weg te moffelen, aan de andere kant van een muur, en beschouwen de Palestijnen als een reëel gevaar.


Net als bij de Oslo-Akkoorden, is ook nu, bij het Akkoord van Genève, de context oneindig veel belangrijker dan de tekst, en zeker wat de Israelische publieke opinie aangaat.



Shiko Behar is de directeur van het Alternative Information Center (AIC), een Israelisch/Palestijnse NGO die gevestigd is in Jeruzalem en in Beit Sahour (Westelijke Jordaanoever)

Michael Warschawski is een van de grondleggers en momenteel mede-voorzitter van het bestuur van dat centrum


bron & vertaling: Uitpers, nummer 49, 5e jaargang (januari 2004)


Meer over Soemoed
index Soemoed - jaargang 32, nummer 1